Willy’s droom

 

‘En nu?’
‘Ja, dat weet ik niet.’
‘Hoe lang staat hij al zo?’
‘Ja, dat weet ik ook niet, maar zeker sinds vanmorgen.’
‘En als je op zijn huisje tikt?’
‘Nee, tikken helpt niet. Heb ik al geprobeerd.’

Aan de voet van een oude beuk staan Simon de boktor en Leo de schele spitsmuis. Ze kijken naar een slak die, tussen hun in, naar boven staart. Zijn ogen staan op stelen en leunen achterover tegen zijn slakkenhuis.
‘De vorige keer dat hij zo stond, keek hij naar een kastanje,’ zegt de boktor. ‘Waar kijkt hij nu naar? Een beukennootje?’ De spitsmuis maakt zich plat en houdt zijn kop naast de ogen van de slak. Boven hem ziet hij een vogelhuis in de boom hangen.
‘Hij kijkt naar dat vogelhuisje,’ antwoordt de muis. Ja, dat hebben slakken vaak. Ineens staan ze echt stil en dan kijken ze ergens naar.

‘Zullen we hem anders omkeren? Dat hielp toen bij die kastanje.’
‘Ben je gek?!’ zegt de muis. ‘Een slak mag je nooit omkeren! Dan wordt ie misselijk. Laten we allebei een steel pakken en heel hard zijn naam roepen.’
De muis en de tor pakken ieder een oog en tellen zachtjes tot drie. ‘WILLY!’ gillen ze ieder in één van de slakkenogen.
‘Huh?’ zegt de slak traag. Langzaam draait hij zijn hoofd naar de muis.
‘Oh, gelukkig, je bent er weer. Je stond weer te staren, vriendje. Waar keek je naar?’
‘Nou, eh, naar die prachtige slak boven in de boom,’ antwoordt Willy. De muis en de tor kijken elkaar verbaasd aan.
‘Slak? Bedoel je dat vogelhuisje?´ vraagt de tor.
´Ze heeft het mooiste huis van alle slakken. Vinden jullie ook niet?´ mompelt Willy. ´Daar zal vast een prinsessenslak in wonen. En haar huis heeft zo’n lief neusje en…´

Simon onderbreekt de slak en zegt; ‘Willy, weet je nog dat je verliefd was op een kastanje? Dit is ook geen slakkenhuis. Dit is een vogelhuis.’
Maar Willy luistert niet meer. Zijn steeltjes staan weer strak tegen zijn schelpenhuisje aan. ‘Willy…! WILLY!’ probeert de muis nog, maar de slak hoort hem niet meer.
Langzaam komt Willy op gang richting de boom.
‘Ho eens even,’ zegt de muis. ‘Waar ga je naar toe?!’ Snel legt hij één van zijn pootjes op de bovenkant van het slakkenhuis. Tevergeefs. Want als een slak zich eenmaal met zijn lijfje aan de grond vooruitzuigt, dan is hij niet meer tegen te houden. Uit alle macht trekken en duwen zijn twee vrienden nog aan Willy’s buitenkant, maar iedere keer glipt die tussen hun pootjes vandaan.
Met zijn stelen gericht op het vogelhuis trekt Willy een slakkenspoor tot aan de wortels van de beuk. Daar kantelt hij zijn schelp en begint aan zijn klim naar boven.
‘Snel, we moeten Thérèse de uil erbij halen. Zij weet altijd raad!’ zegt Simon buiten adem. De tor en de muis rennen weg.

Onderweg naar het vogelhuis droomt Willy verder. Eindelijk kan hij zijn oude krappe hulsje verkopen. Straks heeft hij een nieuw huis met een zolder en een kelder. En wanneer hij jarig is dan kan hij zijn vrienden uitnodigen en die kunnen dan allemaal blijven slapen. De jeuk op zijn rug waar hij nooit bijkwam kan hij dadelijk wegkrabben. En oh, wat zal hij gelukkig zijn met zijn slakkenvriendin. Dat moet toch echt een prinses zijn, hoor. Alleen die wonen in zo’n paleis.

Eenmaal boven glijdt Willy naar het gat boven de neus van zijn nieuwe woning. Moe van het klimmen steekt hij zijn antenneogen zo ver als hij kan in de donkere opening.

‘Oehoehoe,’ hoort Willy ineens boven zich. Op het dak van het vogelhuis landt Thérèse de uil. Nadat ze haar plek gevonden heeft, buigt ze haar kop voorover en vraagt; ‘Wat zie je, Willy?’
‘Nou eh,…’ zegt de slak. ‘Ik zie eh,… helemaal niets!’
‘Dat klopt,’ vervolgt de uil rustig. ‘Hier woonde de merel. Zij is verhuisd.’
‘Nee hoor, hier woont een prinsessenslak. Met haar ga ik trouwen en dan hebben we samen het mooiste huis van het bos. Ze is nu vast op vakantie.’
‘Ach, lieve Willy, een slak in een vogelhuis, dat kan toch helemaal niet’, zegt Thérèse. ‘Alle slakken hebben een huis op hun rug. En als hier een slak in had gewoond, dan was je verliefd geworden op haar huis. Het gaat toch niet om de buitenkant, maar om hoe mooi iemand van binnen is?’

Langs de steel van Willy’s oog loopt een traan. ‘Kom,’ zegt de uil zacht. ‘We gaan naar Leo en Simon.’ Voorzichtig pakt ze met haar snavel de slak bij zijn huisje en steekt hem tussen haar veren.

 

Opmerkingen ( 1 )

Laat een reactie achter

Je email adres wordt niet gepubliceerd. Benodigde velden zijn aangegeven *

error: De inhoud is beveiligd !!