Weltschmerz

 

Bram heeft zich afgezonderd in de tuin van gastheer Ron en de zijnen. Zittend op een kabouterbankje vraagt hij zich af waarom hij überhaupt nog een gesprek aan zal gaan met één van de genodigden. Want, waarom houdt het antwoord op een vraag die hij stelt nooit op? Waarom eindigen negen van de tien antwoorden niet met een wederzijdse vraag? Alles begint bij interesse, toch? Maar nee, op nagenoeg iedere vraag die hij stelt volgt een egocentrisch antwoord. Worden er net zo lang woorden over hem uitgekotst totdat hij zich met een tussentijds verzonnen smoes ver excuseert uit de monoloog.

Hij zoekt een sociaal logisch midden, maar vindt dat niet. Dat zal wellicht te maken hebben met zijn gebrek aan natuurlijk overwicht.
Ligt dat nou aan mijn wederzijdse verwachting of is er geen midden? Denkt hij voor de tigste keer.

Doorgaans komt hij door die onbeantwoorde verwachting kapot thuis van dit slag feestjes. Suf geluld, leeggezogen en nog steeds verbaasd over mensen die zichzelf nooit afvragen of datgene ze te melden hebben ook interessant genoeg is voor een ander. Er zijn zelfs gasten die naar Bram vragen, omdat ze hem zo’n aardige vent vinden. Maar Bram weet beter. Feitelijk zijn dat de grootste parasieten die behoefte hebben om hem murw te lullen, omdat ze geen boodschap hebben aan zijn beleefdheid. Juist zij niet, want het gaat niet om hem!

Zijn gedachten worden ruw onderbroken door een dik blond jongetje in een blauwe skelter. Een meter voor zijn voeten schiet hij vol in de remmen en begint vanaf daar treiterend rondjes te rijden. Bij iedere duw op zijn pedalen spugen de bandjes van zijn vehikel een handje grind richting Bram. Vlak voordat hij het knaapje uit de trapkar wil trekken, fietst er een meisje met vlindervleugels voorlangs. Op een penetrant aangezette kindertoon roept zij:
‘Mijn pappa zegt dat ik een prinsesje ben, want ik heb prinsessenvleugeltjes.’
‘Oh ja joh? Hoe heet je?,’ vraagt Bram.
‘Fleurtje… Prinses Fleurtje,’ antwoordt ze, zichzelf terugduwend.
‘Wat een mooie naam, maar waarom ben je een prinses?’
Een vraag die hij juist nu niet had moeten stellen. Het meisje gaat los in hopeloze kinderretoriek. Halverwege haar antwoord probeert Bram haar nog met motoriek en mimiek af te remmen, maar de vraag was al gesteld. Verzadigd op de reeds geabsorbeerde hoeveelheid input van deze middag interrumpeert hij haar uiteindelijk bot met:

‘Fleurtje,…, Fleurtje,… Hé, Fleurtje!… Nee, wat je op,… Wat je op vakantie hebt meegemaakt, deden ze allemaal niet alleen voor jou. Dat was geen hofhouding. Dat heet “all inclusive” en daar hebben pappa en mamma goed voor betaald. Dat maakt jou nog lang geen prinses. En jouw vleugels, dat zijn geen prinsessenvleugels, maar vlindervleugels. Prinsessen hebben geen vleugels. Ze kunnen wel heel oud worden en later zelfs koningin. Jij dus niet, want zo ben je een vlinder. Ook mooi hoor, maar vlinders leven heel kort. Dus zou ik ze maar afdoen, anders ga je snel dood en heel erg stinken. En dat vinden pappa en mamma vies. Dan gooien ze jou weg bij de vuilnis!’

Bram ziet haar oogjes verschieten naar nattig.
‘En praat normaal! Je klinkt irritant!,’ geeft hij haar na.

Pruilend trapt Fleurtje hemelsbreed terug naar de serre van het huis. Daar ziet hij haar verdwijnen in de schoot van een vrouw die hem eerder die middag alles heeft verteld over Tupperware. Alles! En hij heeft niks met Tupperware. Ook niet uit beleefdheid. Haar even later bijtende blik beantwoordt hij met een knipoog.
Fuck you! Geeft ze hem non verbaal terug.

Dat is er in ieder geval één minder die de volgende keer naar mij vraagt, denkt Bram.

 

Opmerkingen ( 1 )

Laat een reactie achter

Je email adres wordt niet gepubliceerd. Benodigde velden zijn aangegeven *

error: De inhoud is beveiligd !!